Veelgestelde vragen.
Groepenkasten.
Een installatieschema helpt je bij het overzichtelijk ontwerpen, aansluiten en controleren van een elektrische installatie of groepenkast. In het schema zie je hoe de verschillende componenten, zoals de hoofdschakelaar, aardlekschakelaars, installatieautomaten en eindgroepen, met elkaar verbonden zijn.
Tijdens de installatie gebruik je het schema als leidraad om alle onderdelen correct aan te sluiten volgens de geldende normen, zoals de NEN 1010. Ook bij onderhoud, uitbreidingen of het oplossen van storingen biedt een installatieschema snel inzicht in de opbouw van de installatie. Dit bespaart tijd en verkleint de kans op fouten.
Voor paneelbouwers en installateurs is een actueel installatieschema bovendien een belangrijk document voor een veilige en efficiënte uitvoering van de werkzaamheden.
Het samenstellen van een groepenkast begint met het bepalen van de elektrische installatie en het benodigde vermogen. Vervolgens kies je de juiste componenten, zoals een hoofdschakelaar, aardlekschakelaars, installatieautomaten en eventuele extra beveiligingen, zoals overspanningsbeveiliging of een aardlekautomaat (RCBO). Ook houd je rekening met toekomstige uitbreidingen, bijvoorbeeld voor een laadpaal, zonnepanelen of een thuisbatterij.
Bij het samenstellen is het belangrijk dat de groepenkast voldoet aan de geldende normen, zoals de NEN 1010, en dat de belasting goed wordt verdeeld over de verschillende groepen en fasen. Zo blijft de installatie veilig, betrouwbaar en overzichtelijk.
Met een groepenkastconfigurator kun je eenvoudig een groepenkast samenstellen die aansluit op de wensen en eisen van jouw project. Zo weet je zeker dat alle componenten goed op elkaar zijn afgestemd en voorkom je fouten tijdens de installatie.
De benodigde bedrading in een groepenkast hangt af van de uitvoering van de installatie en de toegepaste componenten. In de meeste groepenkasten worden installatiedraad (VD-draad) en aansluitdraden gebruikt voor de verbinding tussen de hoofdschakelaar, aardlekschakelaars, installatieautomaten en de verschillende eindgroepen. De draaddikte wordt bepaald door de stroomsterkte en moet voldoen aan de geldende normen, zoals de NEN 1010.
Naast de fase-, nul- en beschermingsleiding (aarde) worden in moderne groepenkasten ook kamrails toegepast. Hiermee kunnen meerdere installatieautomaten of aardlekautomaten veilig, overzichtelijk en efficiënt van voeding worden voorzien.
Het is belangrijk om de juiste draaddikte, kleurcodering en aansluitmethode te gebruiken. Zo blijft de groepenkast veilig, betrouwbaar en voldoet de installatie aan de geldende regelgeving.
Een Schneider groepenkast staat voor kwaliteit, betrouwbaarheid en een veilige basis voor iedere elektrische installatie. Schneider Electric ontwikkelt en produceert elektrotechnische componenten die wereldwijd worden toegepast in woningen, utiliteitsgebouwen en industriële installaties.
De groepenkasten van Schneider zijn ontworpen met aandacht voor installatiegemak, overzicht en flexibiliteit. Door het modulaire systeem zijn componenten eenvoudig te plaatsen, uit te breiden of te vervangen. Daarnaast sluiten de beveiligingscomponenten, zoals installatieautomaten en aardlekschakelaars, optimaal op elkaar aan.
Voor installateurs betekent dit een efficiënte montage, een betrouwbare installatie en zekerheid dat de toegepaste componenten voldoen aan de geldende kwaliteits- en veiligheidseisen. Dankzij de brede beschikbaarheid van Schneider Electric componenten is een groepenkast eenvoudig samen te stellen voor zowel standaardinstallaties als projecten met extra voorzieningen, zoals zonnepanelen, laadpalen of thuisbatterijen.
Een SEP groepenkast biedt een betrouwbare en flexibele oplossing voor het veilig verdelen van elektrische energie binnen woningen en utiliteitsinstallaties. De groepenkasten van SEP zijn ontwikkeld met aandacht voor installatiegemak, een overzichtelijke opbouw en een efficiënte montage.
Door het modulaire ontwerp kunnen verschillende componenten eenvoudig worden gecombineerd en uitgebreid. Hierdoor is een SEP groepenkast geschikt voor zowel standaardinstallaties als situaties waarin extra groepen of toepassingen nodig zijn, zoals zonnepanelen, laadpunten of andere elektrische installaties.
Voor installateurs biedt SEP een praktische oplossing met een goede prijs-kwaliteitverhouding. De kasten zijn ontworpen voor een snelle en nette installatie, waarbij veiligheid en betrouwbaarheid centraal staan. Zo beschikt de installateur over een complete basis voor een professionele elektrische installatie.
Een Gacia groepenkast biedt een praktische en betrouwbare oplossing voor het veilig verdelen en beveiligen van elektrische installaties. De groepenkasten en componenten van Gacia zijn ontwikkeld voor een eenvoudige montage, overzichtelijke installatieopbouw en een betrouwbare werking.
Dankzij het modulaire systeem kunnen verschillende beveiligingscomponenten eenvoudig worden toegepast en aangepast aan de wensen van de installatie. Hierdoor zijn Gacia groepenkasten geschikt voor uiteenlopende toepassingen, van standaardinstallaties tot projecten waarbij extra groepen of uitbreidingen nodig zijn.
Voor installateurs biedt Gacia een aantrekkelijke combinatie van kwaliteit, functionaliteit en installatiegemak. Door gebruik te maken van goed op elkaar afgestemde componenten ontstaat een veilige en professionele groepenkast die voldoet aan de eisen van een moderne elektrische installatie.
Componenten.
Een installatieautomaat (ook wel automaat genoemd) beschermt een elektrische groep tegen overbelasting en kortsluiting. Wanneer er bijvoorbeeld te veel stroom door de bedrading loopt of er een kortsluiting ontstaat, schakelt de automaat de spanning automatisch uit om schade en brandgevaar te voorkomen.
Een aardlekschakelaar beveiligt personen en installaties tegen gevaarlijke lekstromen. De aardlekschakelaar vergelijkt de stroom die via de fase binnenkomt met de stroom die via de nul terugkomt. Bij een verschil, bijvoorbeeld door een fout naar aarde, schakelt deze de installatie uit.
Een aardlekautomaat (alamat of RCBO) combineert beide functies in één component: bescherming tegen overbelasting en kortsluiting én bescherming tegen aardlekstromen. Hierdoor krijgt iedere afzonderlijke groep zijn eigen aardlekbeveiliging. Dit zorgt voor meer bedrijfszekerheid, omdat bij een storing alleen de betreffende groep uitschakelt en niet meerdere groepen tegelijk spanningsloos worden.
Een kWh-meter meet het energieverbruik van een elektrische installatie, apparaat of specifieke groep. De aansluiting gebeurt door de meter in serie op te nemen in de voedingsleiding, zodat alle stroom die verbruikt wordt door de meter loopt en geregistreerd kan worden.
Bij het aansluiten wordt de inkomende voeding aangesloten op de ingang van de kWh-meter en de uitgaande bedrading op de uitgang richting de verbruiker of installatie. Afhankelijk van het type meter kan deze geschikt zijn voor een 1-fase of 3-fase aansluiting. Let hierbij altijd op de juiste aansluitvolgorde, fase(n), nulgeleider en de maximale stroomwaarde van de meter.
Een correcte aansluiting is belangrijk voor een betrouwbare meting en een veilige installatie. Volg daarom altijd het aansluitschema van de fabrikant en zorg dat de installatie voldoet aan de geldende voorschriften, zoals de NEN 1010. Bij gebruik in een groepenkast kan een kWh-meter bijvoorbeeld worden toegepast om het verbruik van zonnepanelen, een laadpaal, een bijgebouw of een specifieke eindgroep inzichtelijk te maken.
Een installatierelais is een elektrisch schakelcomponent waarmee een relatief klein stuursignaal een grotere elektrische belasting kan schakelen. Het relais werkt als een schakelaar die elektrisch wordt bediend en wordt vaak toegepast in groepenkasten, besturingskasten en gebouwinstallaties.
Een installatierelais wordt bijvoorbeeld gebruikt voor het schakelen van verlichting, ventilatie, verwarming of andere elektrische verbruikers. Het voordeel is dat de stuurkring en de geschakelde stroomkring elektrisch van elkaar gescheiden zijn, waardoor veilige en flexibele schakelingen mogelijk zijn.
Er zijn verschillende soorten installatierelais beschikbaar, zoals impulsrelais, tijdrelais en relais met meerdere contacten. De juiste keuze hangt af van de toepassing, de gewenste schakelfunctie en de elektrische belasting. Door een passend relais toe te passen ontstaat een betrouwbare en overzichtelijke installatie.
Mespatronen zijn smeltveiligheden die worden gebruikt voor het beveiligen van elektrische installaties tegen overbelasting en kortsluiting. Ze worden voornamelijk toegepast in verdeelinrichtingen, hoofdverdeelkasten en industriële installaties waar hoge kortsluitstromen kunnen voorkomen.
Een mespatroon wordt geplaatst in een daarvoor geschikte mespatroonhouder. Bij een te hoge stroom smelt de smeltstrip in de patroon, waardoor de stroomkring wordt onderbroken en de installatie wordt beschermd tegen schade. Na het aanspreken moet de mespatroon volledig worden vervangen.
Bij het kiezen van een mespatroon is het belangrijk om rekening te houden met de juiste nominale stroom, het spanningsniveau, het uitschakelvermogen en de toepassing. Ook de selectiviteit met andere beveiligingen in de installatie speelt een belangrijke rol. Gebruik altijd de juiste maat en uitvoering volgens de specificaties van de fabrikant en de geldende veiligheidsvoorschriften.
Een overspanningsbeveiliging beschermt elektrische installaties en aangesloten apparatuur tegen plotselinge spanningspieken. Deze pieken kunnen ontstaan door bijvoorbeeld blikseminslag in de omgeving, schakelhandelingen in het elektriciteitsnet of storingen in de installatie.
De overspanningsbeveiliging zorgt ervoor dat een te hoge spanning gecontroleerd wordt afgevoerd naar de aarde, waardoor gevoelige componenten worden beschermd tegen beschadiging. Dit is vooral belangrijk bij moderne installaties met elektronica, zoals zonnepanelen, laadpalen, warmtepompen, thuisbatterijen en domoticasystemen.
Er zijn verschillende types overspanningsbeveiliging, zoals Type 1, Type 2 en Type 3. Het juiste type hangt af van de situatie en het beschermingsniveau dat nodig is. Een correct geselecteerde en geïnstalleerde overspanningsbeveiliging draagt bij aan een veiligere en betrouwbaardere elektrische installatie.
Een hoofdschakelaar en een lastschakelaar hebben beide als functie om een elektrische installatie spanningsloos te kunnen maken, maar ze worden in verschillende situaties toegepast.
Een hoofdschakelaar wordt gebruikt als centrale uitschakeling van een volledige elektrische installatie, bijvoorbeeld in een groepenkast. Hiermee kan de gehele installatie veilig worden in- en uitgeschakeld voor werkzaamheden of onderhoud. Bij veel installaties is een hoofdschakelaar verplicht volgens de geldende voorschriften.
Een lastschakelaar is bedoeld voor het veilig schakelen van elektrische belastingen onder normale bedrijfsomstandigheden. Deze wordt vaak toegepast in verdeelinrichtingen of industriële installaties om specifieke delen van een installatie te kunnen schakelen.
Het belangrijkste verschil is dat een hoofdschakelaar specifiek bedoeld is als centrale scheidingsvoorziening van een installatie, terwijl een lastschakelaar vooral wordt gebruikt voor het schakelen van elektrische belastingen. De juiste keuze hangt af van de toepassing, het vermogen en de eisen van de installatie.
Kabel.
Welke kabel je nodig hebt, hangt af van de toepassing, de omgeving en de elektrische belasting van de installatie. Belangrijke factoren zijn onder andere het vermogen van de aangesloten apparatuur, de lengte van de kabel, de manier van installeren en de omstandigheden waarin de kabel wordt gebruikt.
Voorbeelden van veelgebruikte kabels zijn XMVK-kabel voor lichte toepassingen en vaste installaties, YMvK-kabel voor zwaardere installaties en situaties waarbij extra mechanische bescherming nodig is, en grondkabel voor verbindingen die buiten of in de grond worden aangelegd.
Daarnaast is de juiste kabeldoorsnede (uitgedrukt in mm²) belangrijk. Een te dunne kabel kan leiden tot spanningsverlies, warmteontwikkeling en onveilige situaties. De juiste keuze maak je daarom altijd op basis van de belasting, kabellengte en installatievoorwaarden volgens de geldende normen, zoals de NEN 1010.
Bij twijfel is het verstandig om de installatiegegevens te controleren of advies in te winnen om de juiste kabel voor de toepassing te bepalen.
Een lasklem wordt gebruikt om elektrische draden veilig en betrouwbaar met elkaar te verbinden. Lasklemmen worden veel toegepast in lasdozen, groepenkasten en installaties waar meerdere draden met elkaar moeten worden doorverbonden.
Voor een correcte verbinding plaats je de juiste draadsoort en draaddikte in de lasklem en zorg je ervoor dat de geleider voldoende gestript is volgens de specificaties van de fabrikant. Bij moderne lasklemmen met een hendel wordt de hendel geopend, de draad volledig ingebracht en daarna weer gesloten om een stevige elektrische verbinding te maken. Bij steekklemmen wordt de draad rechtstreeks in de daarvoor bestemde opening geplaatst.
Het is belangrijk dat de lasklem geschikt is voor het type draad, de doorsnede en het aantal geleiders dat wordt aangesloten. Gebruik altijd een kwalitatief hoogwaardige lasklem en controleer of de verbinding goed vastzit. Een correcte verbinding voorkomt storingen, warmteontwikkeling en mogelijke schade aan de installatie.
Brandveiligheid is een belangrijk onderdeel van iedere elektrische installatie. Een correcte aanleg en het gebruik van geschikte materialen helpen het risico op oververhitting, kortsluiting en brand te beperken. De belangrijkste richtlijn voor elektrische installaties in Nederland is de NEN 1010. Deze norm beschrijft de eisen voor het veilig ontwerpen, aanleggen en uitbreiden van laagspanningsinstallaties.
Bij brandveiligheid wordt onder andere gekeken naar de juiste dimensionering van kabels en beveiligingscomponenten, een correcte toepassing van installatieautomaten en aardlekbeveiliging en het voorkomen van overbelasting. Ook de keuze van kabels en installatiematerialen speelt een rol, bijvoorbeeld met betrekking tot brandgedrag en rookontwikkeling.
Voor specifieke situaties, zoals utiliteitsbouw, openbare gebouwen of installaties met verhoogde risico’s, kunnen aanvullende eisen gelden. Een goed ontworpen installatie, uitgevoerd volgens de geldende voorschriften en gecontroleerd door een vakbekwaam installateur, draagt bij aan een veilige en betrouwbare elektrische installatie.
De juiste netwerkkabel hangt af van de gewenste snelheid, de toepassing en de omgeving waarin de kabel wordt aangelegd. Netwerkkabels worden gebruikt voor het verbinden van apparaten zoals computers, switches, beveiligingscamera’s, access points en andere netwerkapparatuur.
Veelgebruikte categorieën zijn Cat5e, Cat6 en Cat6A. Cat5e is geschikt voor standaard netwerktoepassingen tot 1 Gbit/s, terwijl Cat6 en Cat6A meer capaciteit bieden en beter geschikt zijn voor moderne netwerken met hogere snelheden en langere afstanden.
Bij het kiezen van een netwerkkabel is het belangrijk om te letten op de afscherming (zoals U/UTP, F/UTP of S/FTP), de maximale lengte, de installatiewijze en de omgeving waarin de kabel wordt gebruikt. Voor vaste installatie wordt vaak gekozen voor installatiekabel die geschikt is voor montage in buizen of kabelgoten.
Een goede kabelkeuze zorgt voor een stabiele netwerkverbinding en voorkomt storingen of beperkingen bij toekomstige uitbreidingen.
Een goede aarding is essentieel voor de veiligheid van een elektrische installatie. De aarding zorgt ervoor dat foutstromen veilig kunnen wegvloeien naar de aarde, waardoor beveiligingscomponenten zoals aardlekschakelaars en installatieautomaten snel kunnen ingrijpen bij een storing.
Een betrouwbare aarding begint met een correcte aardingsvoorziening, zoals een aardelektrode (bijvoorbeeld een aardpen), die voldoet aan de eisen voor de betreffende installatie. Vanuit de hoofdaardrail wordt de beschermingsleiding (PE) naar de verschillende groepen en aangesloten metalen delen geleid.
Bij het aanleggen van een aarding is het belangrijk dat alle verbindingen goed worden uitgevoerd, elektrisch betrouwbaar zijn en voldoen aan de geldende voorschriften, waaronder de NEN 1010. De aardingsweerstand moet geschikt zijn voor de installatie en kan indien nodig worden gecontroleerd met een geschikte meetmethode.
Een correcte aarding verkleint het risico op elektrische schokken en draagt bij aan een veilige en betrouwbare installatie.
CEE materiaal.
Krachtstroom, ook wel een 3-fase aansluiting genoemd, wordt gebruikt voor apparaten en installaties die meer vermogen nodig hebben dan een standaard 230V-aansluiting kan leveren. Een veelgebruikte toepassing is een 400V CEE-aansluiting voor bijvoorbeeld machines, bouwmaterieel, laadapparatuur en industriële toepassingen.
Bij het aansluiten van krachtstroom worden drie fasen (L1, L2 en L3), een nulgeleider (N) en een beschermingsleiding (PE/aarde) aangesloten. De juiste aansluiting is afhankelijk van het type aansluiting en het aangesloten vermogen. Let hierbij altijd op de juiste fasevolgorde, kabeldoorsnede, beveiliging en het maximale vermogen van de componenten.
Voor een veilige installatie is het belangrijk dat het CEE-materiaal, de kabels en beveiligingscomponenten goed op elkaar zijn afgestemd en voldoen aan de geldende voorschriften, zoals de NEN 1010. Een correcte aansluiting voorkomt storingen, overbelasting en gevaarlijke situaties.
Laat werkzaamheden aan vaste elektrische installaties altijd uitvoeren of controleren door een vakbekwaam installateur.
Famatel biedt een breed assortiment CEE-materiaal voor veilige en betrouwbare elektrische aansluitingen in uiteenlopende toepassingen. Het assortiment bestaat onder andere uit CEE-stekkers, wandcontactdozen, koppelingen en verdeelkasten voor professioneel gebruik in de bouw, industrie, evenementen en andere omgevingen waar robuuste aansluitingen nodig zijn.
De producten van Famatel zijn ontworpen met aandacht voor gebruiksgemak, duurzaamheid en veiligheid. Door de stevige uitvoering en beschikbare varianten in verschillende stroomsterktes en beschermingsgraden is er voor iedere toepassing een passende oplossing.
Voor installateurs betekent Famatel een praktische keuze voor het realiseren van betrouwbare krachtstroomaansluitingen. Door gebruik te maken van kwalitatief CEE-materiaal dat goed aansluit bij de installatie, ontstaat een veilige en professionele elektrische verbinding.
Verlichting.
Het aansluiten van een lamp begint met het bepalen van het type lamp, de voedingsspanning en de gewenste schakeling. Bij een standaard lichtpunt wordt de lamp meestal aangesloten op de fasegeleider (L), de nuldraad (N) en indien nodig de beschermingsleiding (PE/aarde).
Voordat je werkzaamheden uitvoert, moet de betreffende groep spanningsloos worden gemaakt en gecontroleerd worden of er geen spanning meer aanwezig is. Vervolgens worden de draden volgens het aansluitschema van de fabrikant aangesloten op het armatuur of de lamp. Bij metalen armaturen is een correcte aardaansluiting belangrijk om de veiligheid te waarborgen.
Bij het aansluiten moet rekening worden gehouden met het type lamp, zoals LED-verlichting, en eventuele aanvullende componenten zoals een LED-driver, dimmer of sensor. Een correcte aansluiting zorgt voor een veilige werking, optimale levensduur en voorkomt storingen aan de verlichting.
Een fitting is het onderdeel waarin een lichtbron wordt geplaatst en zorgt voor de elektrische verbinding tussen de lamp en de voedingsspanning. Er bestaan verschillende soorten fittingen, waarbij de juiste keuze afhankelijk is van het type lamp, de toepassing en de gewenste lichtopbrengst.
De meest voorkomende fittingen zijn:
- E27-fitting: de standaard grote schroeffitting die veel wordt gebruikt voor algemene verlichting in woningen en utiliteit.
- E14-fitting: een kleinere schroeffitting die vaak wordt toegepast bij decoratieve verlichting en kleinere armaturen.
- GU10-fitting: veel gebruikt voor LED-spots waarbij de lamp rechtstreeks op 230V wordt aangesloten.
- GU5.3-fitting (MR16): een fitting voor laagspanningsspots, vaak in combinatie met een LED-driver of transformator.
- G13-fitting: wordt veel gebruikt voor TL- en LED-buizen.
Naast deze veelvoorkomende uitvoeringen bestaan er nog andere fittingen voor specifieke toepassingen. Bij het kiezen van een fitting is het belangrijk dat deze past bij de lichtbron, het armatuur en de elektrische eigenschappen van de installatie. Een juiste combinatie zorgt voor een veilige en betrouwbare werking van de verlichting.
Lumen (lm) is de eenheid waarmee de lichtopbrengst van een lichtbron wordt aangegeven. Het geeft aan hoeveel zichtbaar licht een lamp uitstraalt. Hoe hoger het aantal lumen, hoe meer licht een lamp produceert.
Het aantal watt zegt tegenwoordig minder over de helderheid van een lamp, vooral door de opkomst van energiezuinige LED-verlichting. Een LED-lamp kan bijvoorbeeld met een lager vermogen (watt) dezelfde of zelfs meer lichtopbrengst leveren dan een traditionele lichtbron.
Bij het kiezen van de juiste verlichting is het daarom belangrijk om te kijken naar het aantal lumen in combinatie met de toepassing. Voor algemene verlichting is vaak een andere lichtopbrengst nodig dan voor werkverlichting of accentverlichting. Ook factoren zoals de ruimte, de gewenste sfeer en de montagehoogte spelen een rol bij het bepalen van de juiste verlichting.
De K bij verlichting staat voor Kelvin en geeft de kleurtemperatuur van het licht aan. De kleurtemperatuur bepaalt hoe warm of koel het licht eruitziet.
Een lagere Kelvinwaarde zorgt voor warmer en geler licht. Zo wordt 2700K vaak toegepast in woningen en horecagelegenheden vanwege de sfeervolle uitstraling. Een waarde rond 4000K geeft neutraal wit licht en wordt veel gebruikt in kantoren, winkels en werkruimtes. Hogere waarden, zoals 5000K tot 6500K, geven koeler en witter licht en worden vooral toegepast waar helder en functioneel licht gewenst is.
De keuze voor de juiste kleurtemperatuur hangt af van de toepassing en de gewenste sfeer. Naast lichtopbrengst (lumen) is de Kelvinwaarde daarom een belangrijk onderdeel bij het kiezen van geschikte verlichting.
Besturing.
Een tijdrelais wordt gebruikt om een elektrische schakeling automatisch te schakelen na een ingestelde tijd. Het kan bijvoorbeeld worden toegepast voor verlichting, ventilatie, pompen of andere installaties waarbij een vertraagde in- of uitschakeling nodig is.
De aansluiting van een tijdrelais bestaat meestal uit een voedingsaansluiting, een stuuringang en één of meerdere schakelcontacten. De voeding voorziet het relais van spanning, terwijl de stuuringang het startsignaal ontvangt. Het schakelcontact zorgt vervolgens voor het aansturen van de aangesloten belasting of een ander besturingscomponent.
De exacte aansluitwijze verschilt per type en fabrikant. Daarom is het belangrijk om altijd het aansluitschema en de technische specificaties van het tijdrelais te volgen. Let hierbij op de juiste voedingsspanning, de maximale schakelstroom en de gewenste tijdsinstelling.
Een correct aangesloten tijdrelais zorgt voor een betrouwbare en nauwkeurige automatische besturing van elektrische installaties.
Een magneetschakelaar (ook wel contactor genoemd) is een elektrisch schakelcomponent waarmee grote elektrische belastingen op afstand kunnen worden in- en uitgeschakeld. Een magneetschakelaar wordt vaak toegepast in industriële installaties, besturingskasten en gebouwinstallaties voor het schakelen van bijvoorbeeld motoren, verwarming, verlichting en andere krachtige verbruikers.
Een magneetschakelaar bestaat uit een spoel en één of meerdere hoofdcontacten. Wanneer de spoel wordt bekrachtigd, trekt een elektromagneet de contacten aan en wordt de aangesloten belasting ingeschakeld. Door het gebruik van een stuurkring kan een relatief klein signaal een grotere stroom schakelen.
Bij het kiezen van een magneetschakelaar is het belangrijk om rekening te houden met:
- De spoelspanning (bijvoorbeeld 24V, 230V of een andere stuurspanning).
- De maximale schakelstroom en het vermogen van de belasting.
- Het type toepassing, zoals motorbelasting (AC-3) of ohmse belasting (AC-1).
- Het aantal contacten en eventuele hulpcontacten voor terugmelding of aanvullende besturing.
Magneetschakelaars worden vaak gecombineerd met andere besturingscomponenten, zoals thermische beveiligingen, tijdrelais of PLC-besturingen. Een juiste selectie en aansluiting zorgt voor een veilige, betrouwbare en duurzame besturing van elektrische installaties.
Een stroomkringtrafo (ook wel stroomtransformator of stroomtrafo genoemd) wordt gebruikt om grote elektrische stromen veilig te meten en te monitoren. De stroomtrafo zet een hoge primaire stroom om naar een lagere secundaire meetstroom, meestal 1 A of 5 A, zodat meetapparatuur zoals energiemeters, beveiligingsrelais of monitoring-systemen deze waarde veilig kunnen verwerken.
Een stroomtrafo wordt in de installatie geplaatst rondom de fasegeleider of op een railgeleider. De primaire stroom loopt door de trafo heen en wordt omgezet naar een proportionele meetwaarde aan de secundaire zijde. Hiermee kan het energieverbruik of de belasting van een installatie nauwkeurig worden gecontroleerd zonder de volledige stroom door meetapparatuur te laten lopen.
Bij het toepassen van een stroomtrafo is het belangrijk om te letten op:
- de juiste verhouding (bijvoorbeeld 100/5 A of 250/5 A);
- de nauwkeurigheidsklasse;
- het maximale vermogen (VA) van de aangesloten meetkring;
- een correcte aansluiting van de secundaire zijde.
Let op: een stroomtrafo mag nooit met een open secundaire kring worden gebruikt terwijl er primaire stroom loopt. Dit kan gevaarlijke hoge spanningen veroorzaken en de stroomtrafo beschadigen. Volg daarom altijd de voorschriften van de fabrikant en zorg voor een correcte installatie.
Een schakelklok wordt gebruikt om elektrische apparaten of installaties automatisch in- en uit te schakelen op vooraf ingestelde tijden. Schakelklokken worden bijvoorbeeld toegepast voor verlichting, verwarming, ventilatie, pompen en andere elektrische verbruikers.
De aansluiting bestaat meestal uit een voedingsaansluiting (fase en nul) en een schakelcontact waarmee de aangesloten belasting wordt bediend. De voedingsspanning voorziet de schakelklok van energie, waarna het interne relais op de ingestelde tijden het contact opent of sluit.
Bij het aansluiten is het belangrijk om rekening te houden met:
- de juiste voedingsspanning van de schakelklok (bijvoorbeeld 230V AC);
- de maximale schakelbelasting van het relais;
- het type belasting dat wordt geschakeld (bijvoorbeeld verlichting, motoren of verwarming);
- het gebruik van een extern relais of magneetschakelaar bij hogere vermogens.
Volg altijd het aansluitschema van de fabrikant, omdat de aansluitwijze per type schakelklok kan verschillen. Een correct aangesloten schakelklok zorgt voor een betrouwbare en energiezuinige automatische besturing van elektrische installaties.
Een controlerelais is een elektrisch meet- en beveiligingscomponent dat continu controleert of bepaalde waarden binnen de ingestelde grenzen blijven. Het relais kan bijvoorbeeld spanning, stroom, fasevolgorde, fase-uitval of een andere elektrische parameter bewaken.
Wanneer het controlerelais een afwijking detecteert, kan het automatisch een schakelactie uitvoeren. Zo kan het bijvoorbeeld een installatie uitschakelen, een alarm activeren of een ander besturingscomponent aansturen. Hierdoor helpt een controlerelais om schade aan apparatuur en uitval van installaties te voorkomen.
Veel toegepaste varianten zijn onder andere:
- Fasebewakingsrelais voor het controleren van fasevolgorde, fase-uitval en fase-asymmetrie.
- Spanningsbewakingsrelais voor het bewaken van te hoge of te lage spanningen.
- Stroombewakingsrelais voor het controleren van stroomwaarden.
Controlerelais worden veel gebruikt in besturingskasten, machines en industriële installaties waar bedrijfszekerheid en bescherming van apparatuur belangrijk zijn. De juiste keuze hangt af van de te bewaken waarde en de eisen van de installatie.
Een voeding wordt gebruikt om een elektrische spanning om te zetten naar een geschikte spanning voor elektronische componenten en besturingssystemen. In de elektrotechniek worden voedingen vaak toegepast om bijvoorbeeld 230V wisselspanning (AC) om te zetten naar 24V gelijkspanning (DC). Deze 24V DC wordt veel gebruikt voor PLC’s, sensoren, relais, besturingscomponenten en andere elektronische apparatuur.
Een standaard voeding heeft meestal een ingang (primair) voor de netspanning en een uitgang (secundair) voor de gelijkspanning. Bij een 230V naar 24V DC voeding wordt de fase (L) en nul (N) aangesloten op de ingang. Aan de uitgang worden de + en - aansluitingen verbonden met de aangesloten componenten.
Bij het aansluiten is het belangrijk om te letten op:
- de juiste ingangsspanning;
- de gewenste uitgangsspanning;
- het maximale uitgangsvermogen (Watt/Ampère);
- de juiste polariteit bij gelijkspanning.
Het exacte aansluitschema verschilt per type voeding en fabrikant. Volg daarom altijd het schema op de voeding zelf of in de technische documentatie. Een correct geselecteerde en aangesloten voeding zorgt voor een stabiele en betrouwbare werking van de aangesloten besturing of installatie.
Kabelverbinding.
Gietmoffen en verbindingsmoffen worden gebruikt om kabelverbindingen veilig, betrouwbaar en beschermd uit te voeren. Ze zorgen ervoor dat kabelverbindingen goed geïsoleerd zijn en beschermd blijven tegen vocht, vuil en mechanische invloeden.
Een verbindingsmof wordt toegepast om twee kabels met elkaar te verbinden of een kabel te verlengen. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij grondkabels, buiteninstallaties of situaties waarin een bestaande kabel moet worden aangepast.
Een gietmof is een type verbindingsmof waarbij de verbinding wordt ingegoten met een speciale giethars. Na uitharding ontstaat een volledig afgesloten verbinding met een hoge beschermingsgraad tegen vocht en omgevingsinvloeden. Hierdoor zijn gietmoffen zeer geschikt voor toepassingen buiten, zoals in de grond, waar een duurzame en waterdichte verbinding noodzakelijk is.
Bij het kiezen van een gietmof of verbindingsmof is het belangrijk om rekening te houden met:
- het type kabel en aantal aders;
- de kabeldoorsnede (mm²);
- de maximale spanning;
- de omgeving waarin de verbinding wordt toegepast.
Een correct gemonteerde kabelmof zorgt voor een veilige, duurzame en betrouwbare kabelverbinding die bestand is tegen de omstandigheden waarvoor deze is ontworpen.
Een kabelgoot wordt gebruikt om kabels overzichtelijk, veilig en beschermd te geleiden. Kabelgoten worden veel toegepast in utiliteitsgebouwen, technische ruimtes, industriële omgevingen en besturingsinstallaties.
Bij het installeren van een kabelgoot begin je met het bepalen van de juiste route, waarbij rekening wordt gehouden met de hoeveelheid kabels, het gewicht van de bekabeling en de bereikbaarheid voor onderhoud of uitbreidingen. Vervolgens wordt de kabelgoot stevig bevestigd aan de ondergrond of draagconstructie met passende bevestigingsmaterialen.
Bij de montage is het belangrijk om te letten op:
- voldoende draagkracht en juiste ondersteuning van de kabelgoot;
- het voorkomen van scherpe randen die kabels kunnen beschadigen;
- het aanhouden van de juiste scheiding tussen verschillende kabelsoorten, zoals voedings- en datakabels;
- een nette kabelverdeling zonder overmatige vulling van de goot.
Een goed geïnstalleerde kabelgoot zorgt voor een overzichtelijke installatie, beschermt kabels tegen beschadiging en maakt toekomstige uitbreidingen en onderhoud eenvoudiger. Bij specifieke toepassingen kunnen aanvullende eisen gelden vanuit de installatievoorschriften en fabrikantseisen.
De hoeveelheid kabel of draad die in een installatiebuis mag worden aangebracht, hangt af van de diameter van de buis, het aantal kabels of aders en de manier waarop de installatie wordt aangelegd. Een buis moet voldoende ruimte bieden om kabels eenvoudig te kunnen trekken en om overmatige warmteontwikkeling te voorkomen.
Als richtlijn geldt dat een installatiebuis niet volledig gevuld mag worden. Er moet voldoende vrije ruimte overblijven voor een goede aanleg en eventuele uitbreiding. De toegestane vulling is afhankelijk van factoren zoals het aantal draden, de draaddiameter, de lengte van de buis en het aantal bochten in het leidingtraject.
Bij het gebruik van VD-draad in buis wordt vaak gerekend met de beschikbare buisdiameter en de vulgraad volgens de geldende voorschriften. Voor vaste kabels gelden daarnaast andere aandachtspunten, omdat deze minder flexibel zijn en meer ruimte nodig kunnen hebben.
Een te volle installatiebuis kan problemen veroorzaken bij het trekken van kabels, onderhoud en warmteafvoer. Daarom is het belangrijk om de juiste buismaat te kiezen op basis van de toegepaste bedrading en de installatieomstandigheden. Bij twijfel kan een installateur gebruikmaken van de beschikbare tabellen en richtlijnen uit de NEN 1010.
Een verdeelblok wordt gebruikt om één voedingspunt overzichtelijk te verdelen naar meerdere uitgaande verbindingen. Het wordt veel toegepast in groepenkasten, verdeelinrichtingen en besturingspanelen om meerdere groepen of componenten veilig van voeding te voorzien.
Bij het aansluiten van een verdeelblok wordt de inkomende voedingskabel aangesloten op de hoofdaansluiting van het blok. De uitgaande aansluitingen worden vervolgens verbonden met de betreffende groepen of componenten. Afhankelijk van het type verdeelblok kan dit betrekking hebben op fase-, nul- of beschermingsleidingen.
Bij de montage is het belangrijk om rekening te houden met:
- de maximale stroom en spanning van het verdeelblok;
- de juiste kabeldoorsnede en aansluitcapaciteit;
- een goede bevestiging en bereikbaarheid voor onderhoud;
- het correct vastzetten van de aansluitingen volgens de specificaties van de fabrikant.
Een correct aangesloten verdeelblok zorgt voor een veilige, overzichtelijke en betrouwbare verdeling van elektrische energie binnen een installatie. De exacte aansluitwijze kan verschillen per uitvoering, daarom moet altijd het aansluitschema en de technische documentatie van de fabrikant worden gevolgd.
Klantenservice

Vekto biedt technisch advies waar je op kunt bouwen. Onze specialisten helpen je snel verder.
Vraag of ondersteuning nodig? Neem direct contact op.
